Reactie op het Landschapsplan voor de vliegfunnel Eindhoven Noordwest

  • Datum: 15 december 2021
  • Aanleiding 

    In verband met veiligheid van het luchthavenluchtverkeer is in het Besluit Militaire Luchthavens de maximale obstakelhoogte op aanvliegroute van de vliegtuigen vastgelegd. De maximale obstakelhoogte in deze “funnel” wordt overschreden door bomen in Beatrixoord, aan de groene corridor, en aan het kanaal in Eindhoven Noordwest. Het landschapsplan heeft als doel om de landschappelijke kwaliteiten in het gebied te behouden maar tegelijkertijd de obstakelhoogte niet te overtreffen. Zo kan de veiligheid gewaarborgd worden. De activiteiten (kap, omvorming en start met beheermaatregelen) die hiervoor nodig zijn, zullen starten in het eerste kwartaal van 2022. Delen die vanwege flora en fauna niet kunnen worden uitgevoerd schuiven door. Streven is om in 2023 de werkzaamheden uit dit rapport te hebben gerealiseerd. 

    Omschrijving van het plan 

    In het plaatje hieronder is de funnel aangegeven met oranje hoogtelijnen. De obstakelvrije hoogte loopt op van 25 meter bij de landingsbaan tot 65 meter in het noordoostelijk deel van de funnel: 

    Complexiteit in het Besluit van de Militaire Luchthavens is dat vermeld staat dat de maximale obstakelhoogte niet geldt voor obstakels die zijn geplaatst vóór 2004. Dat geldt uiteraard ook voor de bomen die nu de maximumhoogte overschrijden. Er zijn daarom voorbeelden bekend van gemeenten die geen vergunning wilden verlenen voor het kappen van bomen in de funnel. Echter werd veiligheid uiteindelijk zwaarder gewogen door de bezwarencommissie dan het behoud van bomen. De bomen groeien door de maximale obstakelhoogte heen, waardoor onveilige situaties voor het luchtverkeer ontstaan. Vanuit de gemeente is daarom besloten om de wet toch te respecteren, en het huidige landschapsplan op te stellen. Ook TGE kan deze keuze accepteren.   

    Het landschapsplan omvat een inrichtingsplan en beheerplan, zodat de inrichting middels beheer vastgehouden kan worden en we niet over 5 jaar weer tegen vergelijkbare problemen aanlopen.  

    Het landschapsplan is opgesteld door de gemeente Eindhoven in samenwerking met het Rijksvastgoedbedrijf. 

    Afbeelding 2.  

    Op bovenstaande kaart zijn de obstakelvrije hoogtes aangegeven in stappen van 0,5 meter. Daarnaast zijn de boomhoogtes die de maximaal toelaatbare hoogte overtreffen ingekleurd.  

    De acties die worden genomen om de overschrijding van de hoogte op te heffen, staan hieronder per deelgebied toegelicht. Onderstaande afbeelding geeft de deelgebieden weer.  

    Afbeelding 3. Weergave van de deelgebieden, rechts met overlap van de hoogtelijnen van de funnel. 

    Deelgebied 1 

    Deelgebied 1 is eigendom van derden. De populieren in dit populierenbosje zijn onlangs gerooid, en opnieuw beplant met soorten als zomereik, lijsterbes, gewone vogelkers, winterlinde, tamme kastanje, sleedoorn en zwarte els. Hier is nog geen sprake van overschrijding van de maximale obstakelhoogte.  

    Deelgebieden 2A en 2B.  

    De deelgebieden 2A en 2B liggen aan de Groene Corridor, waar nu nog een autoweg ligt met aan weerszijde eiken. De autoweg zal in de nabije toekomst worden vervangen door een fietsroute die Eindhoven en Oirschot verbindt. Langs het fietspad waren aan weerszijden 4 rijen eiken voorzien.  

    Om de funnel te verwerken, is gekozen om het ontwerp met 4 rijen eiken te handhaven, echter om op de plek van de funnel de eiken periodiek te kandelaberen (sterk innemen van de kruin). Zo wordt de kroonomvang beperkt en wordt de funnel duidelijk zichtbaar in het landschap.   

    De huidige volwassen eiken die de maximum hoogte al overtreffen, zijn boomtechnisch onderzocht. Het blijkt dat snoeien van de kroon voor de meeste bomen voldoende is. Voor een enkele is gekozen om ze te kappen en te vervangen door nieuwe eiken. 

    In deelgebied 2B is, naast de laanbomen in de bermen, ook een bosvak aanwezig die voornamelijk bestaat uit in bosverband opgegroeide zomereiken (bosvak 3 in afbeelding 8). Ze groeien niet erg hard meer, maar sommigen worden toch te hoog. Hier is gekozen om de specifieke bomen die te hoog worden te kappen en vervangen door nieuwe bomen van dezelfde soort.   

    Deelgebied 3. Het Beatrixpark 

    In 2012 is een ontwerp gemaakt voor het Beatrixpark (zie afbeelding 4).  

    Afbeelding 4. Landschapsontwerp uit 2012 van het Beatrixpark 

    Het huidige parkbeeld wijkt echter al af van het ontwerp. In het regulier beheer wordt inmiddels al ingezet op herstel van het oorspronkelijke ontwerp. Op de open delen die waarschijnlijk zijn ontstaan door het uitvallen van (met name) de aangeplante dennen, wordt spontane verbossing toegelaten. Dit zal dan in het vervolg als bos beheerd worden.  

    Ook staat er een structuur aan (bol)meidoorns in het park. Deze wordt vrijgezet om de structuur weer zichtbaar te maken, wat betekent dat langs de rijen meidoorns wordt gemaaid. Hetzelfde zal gebeuren bij een ontworpen haag.  

    Voor het verdere park wordt in het kader van de funnel gekozen voor het kappen van de te hoge bomen in combinatie met regulier beheer als hakhout met overstaanders. Zo wordt de begroeiing continue beneden de maximale hoogte gehouden.  

    Daar waar bomen gerooid worden, is het plan om in te boeten (vervangen) met een grote diversiteit aan bosplantsoen van inheemse soorten. Gekozen is voor autochtoon plantmateriaal zoals zomereik, wintereik, ruwe berk, zachte berk, wilde appel, zoete kers, haagbeuk, zwarte els, tweestijlige meidoorn, veldesdoorn, fladderiep, gewone den. Dood hout wordt zoveel mogelijk in de bosopstanden achtergelaten ten behoeve van de biodiversiteit. 

    Deelgebied 4. Ten oosten van het Beatrixpark 

    Voor dit gebied is ook gekozen voor het kappen van te hoge bomen in combinatie met beheer als hakhout met overstaanders, zoals beschreven voor deelgebied 3. Ook hier wordt gecompenseerd met divers bosplantsoen, zoals omschreven voor deelgebied 3, en het behouden van dood hout ten behoeve van de biodiversiteit. 

    In deelgebied 4 is ook een groep Amerikaanse eiken aanwezig (bosvak 4 in afbeelding 8). De eiken zijn veel te hoog en zullen snoei niet overleven. Er is daarom gekozen voor kap en compensatie met divers bosplantsoen als beschreven voor Deelgebied 3.  

    Deelgebieden 5, 6 en 7: Beatrixkanaal, Slowlane en Nieuwe Spottersweg 

    In dit deelgebied is in het landschapsplan gekozen om aan te passen richting het oorspronkelijke landschap, en daarom delen open of halfopen te houden. Aanwezige bebossing wordt hier daarom omgevormd naar bloemrijke vegetatie. Opslag van jonge bomen wordt verwijderd en de bomen worden gedund. Het doel is om de zaadbank, glanshaverhooiland of andere kruidenrijke vegetatie tot ontwikkeling te laten komen. Omdat deze vegetatie hier ook oorspronkelijk aanwezig is geweest, zal het zich bij gericht natuurbeheer weer kunnen ontwikkelen. TGE ziet hier kansen voor zeldzame planten uit het Glanshaververbond op de kalkrijke leembodem, zoals de Bergnachtorchis. 

    Afbeelding 5. 

    “Toekomstbomen” en bomen die eerder zijn aangeplant ter compensatie van de bomen die gekapt zijn voor de aanleg van de Slowlane worden wel behouden. Wanneer deze bomen te hoog worden, worden ze geknot of gekandelaberd ten behoeve van de funnel. 

    Daar waar in het verleden echter al sprake was van boskavels, wordt intensiever bebost. De locaties aangewezen als halfopen landschap worden vergelijkbaar aangepakt als beschreven voor “open landschap”, alleen wordt hier minder rigoureus gedund. 

    In deelgebied 6 bevindt zich nog een boomgroep van 12 spontaan opgekomen ratelpopulieren (boomgroep 1 in Afbeelding 8). Deze bomen groeien hard en worden de komende 5 jaar te hoog. Deze bomen worden teruggezet tot net boven maaiveld zodat ze opnieuw kunnen uitlopen.  

    Deelgebieden 8 en 9 

    Afbeelding 6. Deelgebieden 8 en 9 (links) en relatie tot toekomstige situering van Brainport Industries Campus. 

    In dit deelgebied is het behoud van de samenhang van de bosmassa’s rondom de Brainport Industries Campus van belang. Voor de gehele zone wordt in het kader van de funnel gekozen voor het kappen van de te hoge bomen, gevolgd door toekomstig beheer als hakhout met overstaanders. Daar waar gecompenseerd moet worden vanwege gerooide bomen, wordt een divers bosplantsoen teruggebracht zoals omschreven bij deelgebied 3.  

    Deelgebied 10 

    Afbeelding 7. Opnames van deelgebied 10. 

    Ten zuiden van de luchthaven, ter hoogte van de Scherpenering is ook nog een zone met te hoge bomen in een bosperceel gelegen. Het deel dat in Afbeelding 7 staat omlijnd met een blauwe stippellijn, bevat bomen die de maximumhoogte overschrijden. Hier wordt overgestapt op hakhoutbeheer. De solitaire boom, berk, die staat weergegeven in het plaatje linksonder in Afbeelding 7, wordt gekapt en vervangen door een struweelbosje met meidoorn, sleedoorn, Gelderse roos en hondsroos. 

    Becijfering van de acties 

    Uit de analyse (bomenonderzoek van Cobra 08-12-2020) bleek dat in totaal:  

    • 317 individuele bomen te hoog zijn of de komende 5 jaar te hoog worden  
    • Ongeveer 293 bomen verdeeld over 5 boomgroepen te hoog zijn of de komende 5 jaar te hoog worden 

    Door de hierboven beschreven acties per deelgebied, betekent dit voor de bomen dat:  

    • Bij de 317 individuele bomen worden:  
    • 12 bomen: geen maatregelen noodzakelijk  
    • 30 bomen: kandelaberen of ingrijpende snoei is noodzakelijk  
    • 20 bomen kappen  
    • 7 bomen toppen (resteert boom met afgevlakte kroon)  
    • Voor de 293 bomen in de boomgroepen geldt dat: 
    • 248 bomen worden gesnoeid: kroonrand worden meerdere meters ingenomen, geen drastische snoei, een acceptabel kroonbeeld resteert.  
    • 45 bomen worden gekapt, of ze krijgen een ecologische functie als staand dood hout. De specifieke actie is maatwerk bij iedere boom, en zal in het veld bepaald worden.  

    De acties staan hieronder in Afbeelding 8 aangegeven per boom of boomgroep. 

    Afbeelding 8. Acties die nodig zijn per boom. Boomgroepen staan aangegeven met gele omlijning. 

    Flora en Fauna 

    Er is een flora en fauna onderzoek gedaan in het projectgebied in het kader van de Wet Natuurbescherming. De hoofdlijnen van dit onderzoek: 

    • De volgende soorten vleermuizen worden in het projectgebied verwacht: gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, kleine dwergvleermuis, rosse vleermuis, laatvlieger, gewone grootoorvleermuis, grijze grootoorvleermuis, watervleermuis, meervleermuis, franjestaart en baardvleermuis. Voor de eerste ingreep is nader onderzoek naar vleermuizen uitgezet. Deze wees uit dat voor deelgebied 2a, 3 en 6 de aanwezigheid van vleermuizen geen effect heeft op de werkzaamheden. Belangrijk is daarbij wel dat de laanstructuren niet verwijderd worden en er overdag gewerkt wordt, en buiten het broedseizoen. In deelgebied 9 heeft de aanwezigheid van vleermuizen wel een effect op de werkzaamheden. Dit deelgebied wordt niet meegenomen in de eerste ronde. Een werkplan zal opgesteld worden om ontheffing te kunnen aanvragen bij de provincie. De resultaten worden na 15 oktober 2021 bekend gemaakt en zijn van invloed op de planning van de werkzaamheden. 
    • In deelgebied 9 zijn bomen met grote holtes aanwezig. Deze mogen alleen gekapt of gesnoeid worden nadat de holtes zijn onderzocht door een deskundige. 
    • In verband met het voorkomen van de beschermde Alpenwatersalamander in deelgebieden 3 en 8, wordt er gewerkt volgens een goedgekeurde gedragscode (ecologisch werkprotocol). 
    • Vanwege het voorkomen van de beschermde Karthuizer anjer in deelgebieden 2A en 2B, moet er een ecologisch werkprotocol opgesteld worden voor dit gebied voor de aanvang van werkzaamheden. 
    • Vanwege het voorkomen van beschermde marterachtigen en eekhoorns moet er buiten de kwetsbare periode van deze soorten worden gewerkt.   
    • In verband met het mogelijk voorkomen van roofvogels met jaarrond beschermde nesten, moet eerst nog onderzoek gedaan worden naar het voorkomen van buizerd, havik, sperwer, boomvalk en ransuil. Daarnaast wordt zoveel mogelijk buiten het broedseizoen gewerkt. 

    Afweging 

    In het rapport wordt voornamelijk benadrukt dat de ingrepen ten gunste van de biodiversiteit komen. TGE denkt dat dit inderdaad het geval is. Door het verdwijnen van hoge bomen zal het projectgebied wel wat soorten kwijtraken die juist de hoogte opzoeken. Denk aan roofvogels of broedende reigers. Maar overall gezien geven de ingrepen juist een boost aan de biodiversiteit in het gebied. De variatie aan plantensoorten neemt toe, de variatie aan structuur neemt toe, waardoor het geheel ook meer soorten fauna zal ondersteunen. Uitheemse soorten die moeten wijken voor de funnel, worden vervangen door inheemse soorten die van groot nut zijn voor honderden insectensoorten die in dit landschap thuis horen. Op dit punt onderschrijven we dat de gemeente en het Rijksvastgoedbedrijf de noodzakelijke ingreep hebben benut als een kans voor een kwaliteitsimpuls.  

    Echter is er vanuit TGE ook nog wat zorg geuit. Ecologie en biodiversiteit zijn namelijk niet het enige doel wat het groen in het projectgebied moet dienen naar de toekomst toe. Ook klimaatadaptatie en bevorderen van de luchtkwaliteit zijn een belangrijk doel voor de stad, zeker wanneer het gebied intensiever gebruikt gaat worden door de komst van de Brainport Industry Campus 2 (BIC2). De bomen bieden verkoeling, slaan CO2 op, bergen water en verbeteren de luchtkwaliteit. Deze functies van het groen zullen sterk afnemen in het gebied, met name op de kortere termijn, door het verlies aan bladoppervlak.  

    Dit verlies aan bladoppervlak kan niet “in de hoogte” gecompenseerd worden. De hoogte zal immers altijd beperkt blijven in de funnel. In plaats daarvan zal het “uit de breedte” moeten komen – de natuur moet meer oppervlak krijgen om het verlies aan functies te compenseren.  

    Vanuit de boswet, die geldt buiten de bebouwde kom, is compensatie echter niet nodig, omdat er geen oppervlak aan groen verloren gaat. Desondanks zien we dat het plan wel enige compensatie bevat – er wordt voor 20.000 EUR aan nieuwe bomen en struiken teruggeplant. Verder heeft TGE voorgesteld om ook het braakliggende terrein binnen deelgebied 4 te vergroenen. Dit terrein blijkt in de toekomst een toegangspoort voor langzaam verkeer richting BIC2 te worden. Het idee is om hier dan inderdaad te vergroenen, echter het is te vroeg in de BIC2 ontwikkelingen om daar verder op in te gaan. Daarom willen we het laten bij het nogmaals benadrukken, vooruitlopend op BIC2 ontwikkelingen, dat extra groenaanleg en landschapsontwikkeling nodig zullen zijn binnen de percelen die hiervoor beschikbaar komen. Ook TGE zal hierop letten bij de planvorming.    

    Hiernaast heeft TGE enkele vragen of zorgen besproken met de gemeente: 

    • Op terreinen waar veel nieuw open gebied gecreëerd wordt, is de ervaring dat hier snel invasieve exoten zich gaan vestigen. Als er herplant door bosplantsoen van toepassing is, is het daarom wenselijk om dat snel (binnen een jaar) aan te planten. De gemeente gaat dit inderdaad nastreven, en is daar alleen afhankelijk van de verkrijgbaarheid van het beoogde autochtone plantmateriaal. 
    • We lezen in het landschapsplan regelmatig dat de te hoge bomen of te dunnen bomen “geoogst” worden. Dat wekt de indruk dat de bomen worden afgevoerd ten behoeve van houtopbrengst. Dat blijkt lang niet altijd het geval, en de bewoording is daarom aangepast in het document. Zo veel mogelijk van het dode hout blijft liggen in de bosgebieden, ter ondersteuning van de biodiversiteit. Slechts in enkele gevallen wordt een stam overgenomen door een aannemer.   
    • Voor het knotten, kandelaberen of kappen was niet in het plan opgenomen hoe dit gebeurt. Met zware machines bestaat het gevaar dat de bodem wordt dichtgedrukt en de lagere vegetatie wordt kapotgereden. De gemeente gaat echter waar mogelijk kettingzagen gebruiken. Daar waar wel zware machines worden ingezet (een vrachtwagen met snoeiarm), worden rijplaten toegepast om de bodemdruk te verminderen, en wordt een ecologisch werkprotocol gehanteerd ter behoud van de lagere vegetatie.   
    • De communicatie zien we als een belangrijk punt, zoals het landschapsplan ook al aangeeft. De gemeente gaat middels informatieborden aangeven waar welke werkzaamheden gaan plaatsvinden, en waarom.   
    • De gemeente gaat 1 jaar nazorg leveren bij de nieuwe aanplant. Daarna moet de natuur zijn gang gaan en zal het aanslaan van het geheel bijgehouden worden via beheer.  

    Conclusie 

    TGE ziet de zorgvuldigheid waarmee het landschapsplan is opgesteld. De noodzakelijke ingrepen zijn omgezet in een kans om de biodiversiteit in het gebied een impuls te geven. Na een noodzakelijke rigoureuze ingreep, kan het beeld via beheer constant gehouden worden. Zo ontstaat een stabiel landschap met stabiele biotopen, wat gunstig is om soorten die in deze biotopen thuis horen zich te laten vestigen. Door de variatie in biotopen worden ook veel soorten ondersteund. 

    Anderzijds is in het plan niet ingegaan op andere functies die het groen heeft, die wel verloren gaan. Met name verkoeling van de omgeving via schaduw en verdamping, maar ook verbeteren van luchtkwaliteit en andere functies voor klimaatadaptatie. Door het verlies aan bladoppervlak, schaduw en groen “volume” in het gebied gaan de ingrepen ten koste van deze functies. Deze functies zullen echter belangrijker worden naarmate het gebied intensiever gebruikt gaat worden door mensen door de komst van BIC2. Compensatie in groen oppervlak is daarom toch gerechtvaardigd, hoewel het vanuit de Boswet niet noodzakelijk is om binnen dit landschapsplan te compenseren. TGE wil daarom nogmaals benadrukken, vooruitlopend op BIC2 ontwikkelingen, dat extra groenaanleg en landschapsontwikkeling nodig zullen zijn binnen de percelen die voor BIC2 beschikbaar komen. TGE zal hierop letten bij de planvorming.    

    Daarnaast hebben we nog enkele vragen geformuleerd in de paragraaf “afweging”, die door de gemeente netjes zijn verwerkt in het plan, of extra zijn toegelicht.   

    En ten slotte geeft het plan aan welke randvoorwaarden er voor de beoogde ingrepen gelden vanuit de Wet Natuurbescherming. Er komen in het gebied veel beschermde soorten voor. Grotendeels zijn de stappen al in beeld om de wet niet te overtreden. Een ontheffing is nog nodig vanwege de vleermuizen in deelgebied 9, een onderzoek naar het voorkomen van roofvogels zal nog gedaan worden, en een ecologisch werkprotocol voor de beschermde Karthuizer anjer is nog nodig.  We nemen aan dat deze stappen nog zullen plaatsvinden, zoals de voorgaande stappen ook al netjes gevolgd zijn.   

    Al met al gaat TGE akkoord met het landschapsplan en landschapsbeheerplan, en zullen wij naar dit advies verwijzen bij de planvorming van BIC2.  

    Uitgelichte foto bij dit artikel is genomen op 6 januari 2022 door Bea Straver.

    Reactie op het Landschapsplan voor de vliegfunnel Eindhoven Noordwest

    Lees meer
    Kapadvies geluidswal Meerhoven

    Lees meer
    Standpunt TGE aangaande Vonk

    Lees meer
    kapadvies Ministerlaan 48

    Lees meer